Deze studie heeft als onderwerp de 'kleine groep'. De schrijver bespreekt de volgende permanente kleine groepen: de familie (gezin), het dorp en de buurt. Centraal kenmerk van deze groepen is dat personen in deze groepen leven: zij wonen er, slapen er, eten er. Als vanzelf vindt er onderlinge face-to-face interactie plaats. Andere kleine groepen hebben veelal een bepaald doel waarop men zich richt, zoals een afdelingsteam in een arbeidsorganisatie of clubs met een recreatief doel. In hoofdstuk 5 komt het dorp aan bod. De inhoud is nogal gedateerd (1958). Wat wel wordt vernoemd in dit hoofdstuk, dat gebaseerd is op studies van dorpsgemeenschappen, is dat het leven in deze gemeenschappen niet zo idyllisch is als wel eens wordt voorgespiegeld. Er is ook in deze dorpsgemeenschappen sprake van conflicten, jaloezie, klassenverschillen, ondergeschiktheid en elite.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten