Dit boek bevat een verslag van de interviews die zijn gehouden met 21 vrouwen over "hun aangrijpende jeugdervaringen in instellingen waar zij aan de zorgen van nonnen waren toevertrouwd. In veel gevallen waren seksuele mishandeling en fysiek en psychisch geweld aan de orde van de dag. Met het doorbreken van hun stilzwijgen laten deze vrouwen de buitenwereld weten wat zich decennialang achter de gesloten deuren van de Nederlandse katholieke internaten en weeshuizen heeft afgespeeld".
Aan het woord komen (met geboortejaar tussen haakjes): Joske en Mietie (1938), Yvonne (1934), Lies (1952), Mariëlle (1955), Bep (1942), Gonny (1949), Sanne (1960), Jeanny (1948), Fietje (1964), Eva (1942), eLS (1943), Joke (1947), Merapi (1947), Willy (1946), Marly (1952), Johanna (1966), Jo (1941), Miriam (1946),, Thérèse (1956), Joan (1946) en Janne-Martha (1955).
Het zijn allemaal stuk voor stuk gruwelijke verhalen van straffen die dagelijks voorkwamen: slaan, schoppen, knijpen in schaamlippen, dagenlang eenzame opsluiting, vernedering ook voor de groep, gedwongen het eigen braaksel op te eten. Soms geven de verhalen van deze vrouwen blijk van sadistisch handelen van de daders. Het leven van veel meisjes in een internaat of kostschool was voor hen een ware hel, waar zij niet uit konden ontsnappen.