donderdag 15 februari 2024

Vic De Donder (1990): Zou men armoe lijden? Een eeuw kroostrijke gezinnen in Vlaanderen.

 


De Proloog van het boek begint als volgt: 'Vlaanderen,' schreef reporter Jef Crick in De Standaard van 2 mei 1923, 'blijft het gezegend oord der kroostrijke gezinnen. Het woord van den Heer: "Gaat en vermenigvuldigt", vindt hier immer echo, en daarom schijnt het licht zo goudblond en wonnig op onze vele velden.'

De titel van het boek geeft goed weer hoe het leven was in vroeger dagen en in de grote gezinnen. Er werd armoe geleden. Het leven was hard werken voor de beide ouders. en in zekere zin was het opgroeien in een groot gezin ook hard. Ieder moest zijn plek in de hiërarchie van het gezin bevechten. En dat ging er niet altijd zachtzinnig aan toe. Het volgend schietgebedje geeft een illustratie daarvan:

Ik vouw mijn handjes samen
Ik doe mijn oogjes dicht
En bid dat na het amen
Mijn gehaktbal er nog ligt.

De volgende onderwerpen komen aan bod in dit boek:
- Bevallingen vinden meestal thuis plaats;
- Er kan er altijd eentje bij;
- In Vlaanderen bestond een 'Bond van Kroostrijke Gezinnen';
- Het dode kindje: in het trouwboekje van mijn opa en oma staan de geboorten van de ... kinderen, waarvan er drie op jonge leeftijd zij gestorven;
- De rol van Vader en Moeder;
- De opvoeding (meestal voor Moeder);
- Kinderen helpen mee: de zonen op het land, de meisjes in het huishouden;
- Als de kinderen het ouderlijk huis verlaten: het lege-nestsyndroom.




Chris van Esterik (2003): Een jongen van het dorp. Honderd jaar Ingen, een dorp in de Betuwe.

 


"Chris van Esterik werd in 1949 geboren in het café van Ingen, een dromerig dorp aan de Rijn vol fruitbomen, midden in de Betuwe. Op zijn twintigste vertrok hij naar Amsterdam, maar nooit verdween het dorp uit zijn hart. Twee jaar geleden ging Van Esterik weer in Ingen wonen om Een jongen van het dorp te schrijven. Hij wilde weten hoe de modernisering tussen 1900 en 2000 het dorp, het landschap en dorpsbewoners veranderde, welke zegeningen de moderne tijd bracht en wat erdoor verloren ging. Van Esterik dook de archieven in en voerder in het dialect tietallen gesprekken met de dorpsbewoners; van de herenboer tot de boerenknecht, en van het dienstmeisje tot de import uit de stad, die dit dorp als landelijke idylle ontdekte. De geschiedenis van het dorpscafé loopt als een van de rode draden door het boek".

"Het verhaal is exemplarisch voor de manier waarop de twintigste eeuw het Nederlandse dorp en het dorpsleven veranderde. Het boek toont de stedeling het onbekende platteland en laat de dorpeling het hedendaagse dorp en de oude, verdwenen wereld zien". (citaat: achterflap van het boek).

Het boek bestaat uit twee delen: 

DEEL I TRAAG DOOR ONEINDIG LAAGLAND, 1900-1945.

DEEL II JACHTIGE TIJDEN, 1945-2000.


dinsdag 6 februari 2024

Paulien Heeren (2021): Izaak en Johanna. Een dramatische familiegeschiedenis.

 


Paulien Heeren schrijft over haar grootouders van vaderskant. Die komen uit een verschillend milieu. Izaak is afkomstig uit een 'deftige' burgerlijke familie; van beroep is hij accountant. Johanna is van eenvoudige komaf; zowel haar vader als zijzelf zijn verknocht aan hun beroep van toneelspeler. Dat geeft problemen in hun huwelijk: het wringt en schuurt voortdurend. De karakters van beiden dragen daaraan bij: Izaak is streng opgevoed in een gereformeerd gezin; een introverte persoonlijkheid. Johanna daarentegen is zeer spraakzaam en extravert. De huwelijksproblemen leiden bij Izaak tot overmatig alcoholgebruik, wat de problemen nog verergert.

Johanna overlijdt op 35-jarige leeftijd. Haar twee kinderen Isaak en Teunis-Dirk worden in huis genomen bij hun grootouders, de ouders van Johanna.

De foto op de omslag is van de verloving van Johanna en Izaak op 26 maart 1921.

maandag 5 februari 2024

Barbara Henkes en Hanneke Oosterhof (1985): Kaatje ben je boven? Leven en werken van Nederlandse dienstbodes. 1900-1940.

 



Een kleine geschiedenis van Nederlandse dienstbodes.

Tialda Hoogeveen (2014): Alstublieft mevrouw! Een geschiedenis van de Nederlandse dienstmeisjes.

 


Mijn moeder heeft in haar jong jaren als dienstbode gewerkt bij welgestelde families in de grote stad (Eindhoven). Vroeger vertelde zij daar verhalen over. Bij sommige gezinnen mocht zij bij de warme maaltijd aanschuiven bij het gezin; bij anderen moest ze genoegen nemen met wat er overbleef en dat ze in de keuken mocht eten. Ook mijn schoonmoeder heeft in haar jeugd gewerkt als dienstbode in een gezin. Boerendochters waren geliefd als dienstbode: die wisten van aanpakken, dat hadden ze van thuis meegekregen. De dienstbode (ook wel dienstmeisje genoemd) woonde in bij het gezin waar ze werkte. Veelal was er wel een (tochtig) zolderkamertje waar zij kon slapen. Zij was dus dag en nacht in het gezin beschikbaar voor huishoudelijke taken en soms ook belast met de opvoeding van de kinderen.

Het 'beroep' van dienstbode of dienstmeisje is in ons land een nagenoeg uitgestorven beroep. Tialda Hoogeveen heeft een geschiedenis geschreven van dienstbodes of dienstmeisjes in ons land. Zij beschrijft een zevental voorbeelden van vrouwen die vroeger 'in betrekking' waren. "Ze werkten vaak twaalf uur per dag in de welgestelde huishoudens van boeren, advocaten, middenstanders, artsen, burgemeesters en fabrieksdirecteuren". Zij "waren veel meer dan alleen kinderoppas en schoonmaakster. Ze kenden de familiegeheimen, waren vaak vertrouwenspersoon of stiekeme getuige van familiedrama's". 

Maria van der Ent (2007): In betrekking. Herinneringen van een dienstmeisje dat in het begin van de vorige eeuw volwassen werd.

 


Maria van der Ent groeit op in een groot arbeidersgezin in Rotterdam. Hoewel ze de slimste van de klas is, wordt ze op haar twaalfde van school gehaald om 'in betrekking' te gaan. Haar moeder verhuurt haar voor 75 cent per week aan een familie met een stoffenzaak.

Zo begint het leven van Maria bij diverse Rotterdamse families. Er volgen dertien jaren van zwaar werk., bij wispelturige bazinnen en soms handtastelijke echtgenoten, met onbehouwen werkvolk en kleurrijke types die honderd jaar geleden de straten bevolkten. Maria toont zich standvastig en werkt zich op binnen de huishoudelijke hiërarchie tot ze op vijfentwintigjarige leeftijd haar betrekking opzegt om te trouwen met een man die spoedig carrière maakt. Binnen korte tijd heeft Maria zelf meisjes in betrekking. Vijftig jaar lang verzwijgt ze haar nederige afkomst, totdat haar jongste zoon haar vraagt naar haar jeugd.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft Maria haar jeugdherinneringen opgeschreven. Zij gaf haar 'manuscript' aan haar zoon met de mededeling: "Pas na mijn dood mag je het openbaar maken". Op 91-jarige leeftijd is Maria overleden in 1991. Daarna heeft haar verhaal nog jarenlang 'in de kast gelegen' tot aan de publicatie in 2007.

Manon Sikkel en Marion Witter (2007): Domweg gelukkig op het platteland.

 


In dit boek komen stadsmensen aan het woord: Stadsmensen over het buitenleven. Personen die verhuisd zijn van de stad naar het platteland. Door de schrijvers zijn achttien mensen geïnterviewd, die zich hebben gevestigd in een dorp; achttien persoonlijke verhalen. Het boek is een verslag van deze gesprekken. Dorpen uit de volgende provincies komen voorbij: Zuid-Holland, Drenthe, Overijssel, Limburg, Noord-Holland, Zeeland, Groningen Gelderland, Flevoland en Friesland. 

Er zijn mensen bij die de stad ontvluchten; er zijn mensen die een boerenbedrijf beginnen of overnemen, of die door een huwelijk naar het platteland verhuizen; mensen die na een werkzaam leven terugkeren naar het dorp of de streek waar men geboren getogen is; hoogopgeleiden die kiezen voor het wonen op een landgoed; één persoon die zich stadsmens blijft voelen en (nadat de kinderen zijn uitgevlogen) terug naar de stad verhuist; mensen die door de week genieten van het buitenleven en in het weekend van de stad; mensen die kiezen voor een alternatieve groepsboerderij.

Enkele hoofstukken worden gewijd aan algemene onderwerpen, zoals een hoofdstuk met enige statistische gegevens over het platteland; een plattelandsgids met een ware 'inburgeringscursus' voor stedelingen die naar het platteland verhuizen.